Spelregels dynamic tennis

Hieronder een sterk bekorte en vereenvoudigde weergave van de belangrijkste spelregels. Met name de regels voor het dubbelspel zijn aanzienlijk uitgebreider dan in dit korte bestek kan worden weergegeven!

Games:
  1. Een game is voltooid als de winnaar 21 punten heeft. Echter, wanneer de stand 20-20 wordt bereikt, wordt er doorgespeeld tot het verschil 2 punten bedraagt.
  2. Een wedstrijd in enkel- of dubbelspel wordt gespeeld om 2 gewonnen games (2-0 of 2-1).

De opslag:
Het lot bepaalt welke partij de eerste opslag krijgt.
  1. Deze partij bepaalt of de eerste 5 opslagen vanaf het rechter of vanaf het linker speelvlak worden gespeeld.
  2. Bij enkelspel worden de beide eerste opslagbeurten (elk 5 opslagen) vanaf de ene speelhelft gespeeld, de volgende vanaf de andere speelhelft, en zo verder.
  3. Beide voeten van alle spelers achter de achterlijn of het verlengde daarvan, echter de speler die de opslag ontvangt mag in het veld staan.
  4. Hand en bal mogen zich bij de opslag boven het veld bevinden.
  5. Staat iemand anders dan de ontvanger op of binnen de lijn op het moment dat de bal het serverende racket verlaat dan is dat een voetfout en krijgt de tegenpartij een punt.
  6. De serveerder laat de bal vallen zonder deze omhoog te gooien; neergooien mag mits de bal niet hoger terugstuit dan de schouder van de serveerder.
  7. Na het opstuiten wordt de bal onderhands in het diagonaal tegenoverliggende speelvlak op de grond geslagen zonder het net te raken.
  8. Een opslag waarbij de bal het net of de netposten raakt is fout, tenzij...
  9. de bal daarna in het juiste vlak de grond raakt. De opslag moet dan worden overgedaan ('let-bal'); in alle andere gevallen krijgt de ontvangende partij een punt.
Bij gelijke stand 20-20:
  1. Vanaf de stand 20-20) wisselt de opslagspeelhelft (links-rechts) zodra beide partijen elk één opslag gemaakt hebben; de opslagbeurt wisselt na elke opslag.
  2. Ook in het dubbelspel telt een opslagbeurt vanaf 20-20 één opslag, maar daar wisselen de spelers van de partij die opgeslagen heeft van plaats.
  3. In een beslissende (3e) game, of indien een wedstrijd uit slechts één game bestaat, wordt van veldhelft (en bij dubbelspel bij het ontvangende team bovendien van ontvanger) gewisseld zodra een der partijen 10 punten heeft.
De rally:
  1. De bal is in het spel en de rally is begonnen. Vanaf het moment dat de bal vanuit de hand van de serveerder de grond raakt.
  2. De ontvanger van de opslag moet de bal eerst laten stuiten alvorens die terug te slaan.
  3. Bij alle volgende slagen mag de bal ook zonder stuiten worden teruggeslagen ("volleren").
  4. Het terug"slingeren" van de bal (langer durend balcontact) levert een fout op.
  5. De rally eindigt op het moment dat een der spelers een punt verkrijgt.
Bal uit:
  1. De bal is uit als de hele bal de buitenkant van de lijn gepasseerd is:

Punten:
Een speler of koppel verkrijgt een punt wanneer een tegenstander:
  1. de opslag verkeerd uitvoert of zich bij de opslag ongeoorloofd in het veld bevindt;
  2. de bal in het net speelt;
  3. de bal niet meer of niet correct terugspeelt;
  4. de bal tegen een obstakel speelt (b.v. dak, netposten);
  5. de bal buiten het veld op de grond speelt;
  6. de bal meer dan één keer raakt of meer dan eenmaal laat stuiten;
  7. de bal tijdens het spelen raakt met iets anders dan het racket;
  8. de bal terugspeelt voordat deze het net is gepasseerd;
  9. het racket op het moment van de slag niet in zijn hand houdt;
  10. het net of de netposten raakt met iets anders dan de bal.



Meer weten over dynamic tennis klik hier